Robert Derksen in het reuzenrad – een humoristisch en persoonlijk moment over het overwinnen van hoogtevrees

Voorgoed bevrijd van mijn angst

Zonder schoenen zie je beter.

Met mijn vriendin en onze kinderen zitten we in het reuzenrad op de pier van Scheveningen.
‘Oh, wat kan je hier ver kijken,’ zegt mijn vriendin.
Ik zie alleen m’n schoenen.
Ik begin te lachen, terwijl niemand een grapje maakt.
‘Het lachen is een ontlading van de spanning. Ik heb last van mijn hoogtevrees,’ leg ik uit.
Vooraf wist ik dit, maar ik wilde het proberen. Voor mij is het al hoog genoeg als ik bij iemand op de rug spring. Op hakken krijg ik al hoogtevrees. Vermoed ik! En gelukkig ben ik niet langer dan twee meter en doe ik niet uit de hoogte.

‘Als ik zo ga huilen,’ zeg ik, ‘ben ik niet verdrietig. Dat is gewoon mijn manier om spanning los te laten.’ Zo weten de kinderen dat ze niet hoeven te schrikken. Ondertussen ziet de jongste een vogel op het strand: ‘Kijk, een meeuw.’

De kinderen zien mensen abseilen. Mijn schoenen zijn bruin.
Marjan wijst verderop naar iemand die gaat bungeejumpen. Rondom mijn schoen zit aan de onderkant een rand die ooit wit was.

We horen de mensen van het abseilen gillen als ze in de buurt van onze gondel komen. Jammer genoeg niet hard genoeg voor mij om een beetje mee te gillen in hun lawaai. Het kraken van de chips van de kinderen is ook niet luid genoeg.

Dan komen we beneden aan. Gelukkig, ik heb het overleefd.
Holi shit, we gaan nog een rondje. Dit gaat nog zo’n vijf rondjes door. Ik draai door.
Er zit een knop in de gondel voor noodgevallen. Ja, dat ben ik als het om hoogtevrees gaat: een hopeloos geval. Zal ik drukken zodat ik eruit mag?

‘Kijk Robert, daar is het echt heel mooi,’ zegt één van de kids tegen me om me af te leiden of te plagen. Mijn veters zijn ook bruin. Mooi gestrikt trouwens.

Uiteindelijk mag ik er een paar rondjes later uit. Eindelijk.
Een meneer die daar werkt, wijst ons naar de uitgang.
‘Het was heel rustig, dus ik heb jullie een paar extra rondjes cadeau gedaan.’
‘Dankjewel!’ zeggen mijn vriendin en de kinderen lachend.
Ik zeg niets. Ik denk even niets. Ik dank even helemaal niets.

We gaan zitten bij de eerste de beste stoelen in het cafégedeelte bij het reuzenrad.
‘Gaat het, lieverd? Je ziet nogal groen,’ vraagt mijn vriendin.
‘Nee, ik erger me groen en geel aan die gratis rondjes. Als ze dat hier bij de bediening ook doen, vind ik het weer eerlijk.’

Het lullige voor mij is dat mijn vriendin verhuisd is naar een appartement op de zesde verdieping. Op de galerij naar haar voordeur krijg ik het Spaans benauwd – malditamente un pealla poco alto – en durf ik niet over de reling te kijken.
Op haar balkon houd ik een afstand van drie meter tot de reling, oftewel: ik sta gewoon binnen. Zonder uitzicht heb ik in alle opzichten genoeg inzichten om iets met mijn hoogtevrees te gaan doen. Het wordt hoog tijd, niet al te hoog vrees ik.

Ik geef mezelf een sessie. Lang verhaal kort: het werkt.

Bij mijn vriendin thuis test ik het. Het is weg. Ze heeft een leuk balkon trouwens, en een prachtig uitzicht. Ik heb bewust naar beneden gekeken vanaf de rand van de reling en het is en blijft weg. Overal waar ik het test, reageert mijn lijf rustig. Wonderlijk mooi en heel fijn voor mijn zenuwstelsel.

‘Schat, roep de kinderen erbij. We gaan naar het reuzenrad. Ik ben benieuwd naar het uitzicht.’ Ik sta al enthousiast bij de deur met mijn jas aan.
‘We gaan met je mee, lief,’ zegt ze. ‘Maar vergeet je schoenen niet?’
Die heb ik niet meer nodig.